Artikel Volkskrant

Voor de Volkskrant schreef ik een opinie artikel over vrouwenvoetbal (VK 26 juni 2022).

OPINIE

Opinie: Mijn moeder vroeg of ik niet bij de jongens mocht voetballen, het antwoord was nee, maar ze liet zich niet afbluffen

De KNVB maakt afgelopen week bekend de premies voor mannen en vrouwen in de Oranje shirts gelijk te trekken. Dit nieuws inspireerde schrijver en rechter Aisha Dutrieux tot een terugblik op haar voetbalcarrière, en die van haar dochter.

Bondscoach Louis van Gaal opent het landelijke schoolvoetbaltoernooi op de KNVB Campus in Zeist.   Beeld ANP
Bondscoach Louis van Gaal opent het landelijke schoolvoetbaltoernooi op de KNVB Campus in Zeist.Beeld ANP

Ik was 4 toen ik voor het eerst op een voetbalveld stond. Maar niet om zelf te voetballen, dat mocht ik niet, want ik was een meisje. De vereniging waar mijn drie broers voetbalden, ASC in Oegstgeest, had het zo bepaald: meisjes waren niet welkom. Althans, niet op het veld. Er werden allerlei redenen voor aangedragen: de club was maar klein, de faciliteiten beperkt. Als ze ook nog eens meisjes gingen toelaten…

Ik probeerde ballet, judo, paardrijden. Maar wat ik eigenlijk wilde, was simpelweg voetballen. Om het spel, maar misschien ook vooral om onderdeel uit te maken van de wereld waarin mijn broers verkeerden. Omdat ik kon zien hoeveel lol zij hieraan beleefden, ook thuis, op trapveldjes en op een garageplein waar het geluid van de bal tegen de ijzeren deuren soms tot onvrede van buurtbewoners leidde. En ook al mocht ik soms van mijn broers meedoen, toch voelde ik me buitengesloten.

OVER DEZE AUTEUR

Aisha Dutrieux is rechter en schrijver, haar tweede roman, Wees niet bang, is onlangs verschenen.

Toen ik 9 was, werd mijn oudste broer gevraagd over te stappen naar Rijnsburgse Boys, een club een eind verderop. Hij zou betaald krijgen, kreeg ook een brommer. Ook mijn andere twee broers stapten over en nu mocht ook ik. Dit was een grotere club, er was een meisjesteam. Ik was dolgelukkig, maar al snel bleek dat ik te goed was voor dit team. Mijn moeder vroeg of ik niet bij de jongens kon gaan voetballen, het antwoord was nee, maar dit keer liet ze zich niet afbluffen. Ik vermoed dat het talent van mijn broers en de wens van de leiding om hen bij de club te houden er mede voor heeft gezorgd dat ik uiteindelijk bij de jongens mocht voetballen. Wat volgde was een periode van er opnieuw niet bij horen. Als ik eens een fout maakte in het veld, vroegen mijn teamgenoten zich hardop af waarom er ook zo nodig een meisje in hun team moest spelen. De volgorde der dingen heb ik niet meer helemaal scherp, maar ineens had ik heel kort haar.

Ik douchte in het scheidsrechtershok en miste zo een deel van de lol en verbondenheid, het samen omkleden voor de wedstrijd en het samen nagenieten van een overwinning. En soms hoorde ik hoe de trainers mijn teamgenoten wegstuurden bij het raam van het hok.

Ik werd opgemerkt door scouts van de KNVB en geselecteerd voor de regionale selectie. Eindelijk speelde ik met kinderen op gelijk niveau, en was ik niet een vreemde eend in de bijt. Ik hoorde over Sarina Wiegman en ontdekte dat er toch een en ander mogelijk was voor een meisje dat van voetballen houdt.

De knie van mijn oudste broer bleek niet bestand tegen de sport. Hij werd gedwongen afscheid te nemen, mijn andere twee broers besloten terug te keren naar hun oude club ASC. Omdat ik daar nog altijd niet welkom was, ging ik voetballen bij UVS. Op mijn 13de stond ik in dames 1, op een enkeling na volwassen vrouwen. Hoewel we op zeker moment landelijk speelden en de heren van het eerste team van alle gemakken voorzien waren, moesten wij bij het bestuur om alles bedelen. We vroegen niet veel, toch was het antwoord doorgaans nee.

Toen mijn oudste dochter 7 was, meldde ik mij opnieuw bij de vereniging die destijds weigerde meisjes te laten voetballen. Hoewel ASC verhuisd is naar een nieuw complex, nu meer velden en faciliteiten bezit, is het vooral een verschil in denkwijze die maakt dat zij met haar vriendinnen nu meer dan welkom was. Een heel nieuw team van meisjes onder de 8 jaar stond aan het begin van het seizoen klaar om competitie te gaan spelen.

Er werd geklaagd en soms gehuild, bij iedere duw die door de tegenstanders – allemaal jongens – werd uitgedeeld. In de rust moest ik ze ervan overtuigen dat het was toegestaan, zelfs noodzakelijk, om de bal af te pakken. In de loop van het seizoen groeide de liefde voor het spel, en inmiddels is een aantal meiden, waaronder mijn dochter, ervan overtuigd dat ze het Nederlands elftal gaan halen.

Zoals elke avond keken we afgelopen dinsdag naar het NOS Jeugdjournaal. Er waren speelsters van het Nederlands elftal in beeld en zoals altijd veerde mijn oudste dochter op. De voice-over sprak over de ongelijke beloning die mannelijke en vrouwelijke spelers van het Nederlands elftal van de KNVB krijgen, en dat dit binnenkort wordt gelijkgetrokken.

‘Wat! Waarom krijgen de vrouwen nu dan minder?’, klonk het vanaf de bank. Door mijn hoofd schoten woorden als sponsorinkomsten en televisierechten, mijn stem kwam niet verder dan: ‘Tja.’

De televisiestem ging verder, vertelde over historisch perspectief en hoe de verdeling van loon en van macht nog altijd niet gelijk is tussen mannen en vrouwen.

‘Waar slaat dat op!’, zei mijn dochter van vier. ‘Dat is helemaal niet eerlijk.’

Verandering is alleen mogelijk wanneer je weigert de wereld zoals je hem voorgeschoteld krijgt, te aanvaarden. Ik kijk naar mijn dochters en hun leeftijdsgenoten, en ik heb goede hoop.