De don’ts van dialogen

Dialogen. In de meeste verhalen zijn ze onmisbaar. Sommige auteurs strooien gretig met dialogen, weten hele werelden te scheppen en personages neer te zetten aan de hand van wat zij zeggen en hoe zij op elkaar reageren. Woordkeuze, toon, maar ook ritme en tempo van spreken geven immers veel weg over het karakter van personages. 

Andere schrijvers zijn er minder goed in, of houden er simpelweg niet van. Zij vermijden dialogen. Wanneer het verhaal draait om mensen en hun onderlinge interactie, terwijl dialoog vermeden wordt, leidt dit tot teksten die vaak veel minder vertonend zijn en veel meer vertellend. De schrijver vertelt dan namelijk op een indirecte wijze hoe de gesprekken verlopen. 

Het schrijven van goede dialogen is niet makkelijk en vergt oefening. Lees hieronder enkele bekende valkuilen waar je in ieder geval niet in wilt trappen, oftewel: de don’ts van dialogen. 

dialogen

Ongepast taalgebruik

Wanneer een personage zich bedient van taalgebruik dat duidelijk niet bij hem of haar past, vanwege zijn achtergrond of opleidingsniveau, dan raakt de lezer vervreemd van het personage en dus ook van het verhaal. 

Stel je eens voor: Je vraagt in de supermarkt aan het kassameisje met hoepeloorbellen en een neusring waar de tomatensaus staat. Zij kijkt op van haar geldlade, opent haar mond, en zegt met een bekakte stem: ‘gelieve u zich daarginder, omstreeks de conserven, te begeven.’ Zelfs in het echte leven zou een gevoel van vervreemding optreden. En waar dit in het echte leven soms gewoon zo is, mensen zijn soms anders, klinken anders, dan je in eerste instantie zou verwachten, in een verhaal is dit ongeloofwaardig. Het maakt dat de lezer het boek weglegt, teleurgesteld. 

Bovenstaand voorbeeld is natuurlijk overtrokken, maar menig conciërge in verhalen praat alsof hij flink hoger opgeleid is, dan voor de functie is vereist. Dit kan natuurlijk de bedoeling van de schrijver zijn. Maar dan moet het wel een functie hebben in het verhaal. Zo niet, dan loop je het risico de lezer kwijt te raken. 

Het omgekeerde kan ook het geval zijn. Een hoogleraar die praat alsof hij de lagere school niet heeft afgemaakt, komt ook bepaald niet levensecht over.      

Alle personages praten hetzelfde

Het is vrij gebruikelijk dat mensen in de kringen waarin zij verkeren veelal grofweg hetzelfde taalregister hanteren. Mensen zijn vaak ook goed in staat om zich van verschillende registers te bedienen. Zo zal een topman of -vrouw in het bedrijfsleven op het werk een ander taalgebruik hanteren dan wanneer hij of zij op zaterdag op het voetbalveld staat. Mensen passen hun taalgebruik dus aan hun omgeving en aan de omstandigheden aan. 

Toch, hoe subtiel ook, er bestaan wel degelijk onderlinge verschillen in de manier waarop mensen praten. In een roman of wat langer verhaal, zal het dan ook gaan opvallen wanneer alle personages, jong en oud, voortdurend op dezelfde manier praten. Hun woordkeus, ritme, toon, tempo verschilt niet of nauwelijks van elkaar. Bewust of onbewust pikt een lezer dit op. En bewust of onbewust, zal dit ervoor zorgen dat het verhaal als minder geloofwaardig wordt beschouwd.

De info-dump

Dialogen zijn niet bedoeld om informatie aan de lezer te verstrekken. De lezer mág natuurlijk wel nuttige informatie uit een dialoog halen, en dan met name informatie over het personage, zijn voorgeschiedenis en achtergrond. Maar de informatie die in een dialoog geopenbaard wordt, moet wel gepast zijn. 

Wanneer je bijvoorbeeld als schrijver duidelijk wilt maken dat het twee broers zijn die met elkaar praten, zou een ‘Hé broer!’ als start van de conversatie nog wel kunnen. Maar wanneer je vervolgt: ‘Onze moeder, Trudy, vroeg mij om tegen jou te zeggen…’, dan voelt de lezer direct dat dit geen natuurlijke dialoog is. De andere broer weet namelijk heel goed dat hun moeder Trudy heet. De lezer concludeert dan ook, bewust of onbewust, dat dit informatie is die de schrijver met de lezer wil delen. Daardoor ontstaat er direct afstand tussen lezer en personages, de lezer is namelijk nu ineens ‘in gesprek’ met de schrijver!

Vraag je als schrijver dan ook voortdurend af, of het logisch is dat personages dit tegen elkaar zeggen. Is het antwoord nee, probeer de informatie die je kwijt wilt dan op een andere manier met de lezer te delen.

Koffie drinken

In het dagelijks leven worden een heleboel gesprekken gevoerd die in een roman of kort verhaal niet thuishoren. Echte gesprekken bevatten losse gedachtenflodders, onafgemaakte zinnen, zijpaadjes die nergens naartoe leiden. Tenzij je hiermee iets duidelijk wilt maken over het personage in kwestie, kun je al deze ruis beter uit je dialogen weglaten. 

Van een professionele manuscriptbeoordelaar hoorde ik eens in hoeveel manuscripten van beginnende schrijvers de personages met elkaar koffie gaan drinken. En hoe dan van begin tot eind wordt uitgeschreven wie melk en suiker wil, wie room en wie zijn koffie liever zwart drinkt. Dit is allemaal overbodige ruis. Tenzij je natuurlijk een heel belangrijk punt wilt maken over een personage aan de hand van de vraag hoe hij zijn koffie drinkt. Zo niet, laat het dan vooral weg. 

laat koffie drinken achterwege

De stem van de schrijver

Er bestaan zogenaamde ‘kale’ dialogen en ‘aangeklede’ dialogen. Kale dialogen bevatten puur en alleen de tekst die de personages tegen elkaar uitspreken. Hoe ze dit doen, hoe ze erbij staan, hoe de regen ondertussen tegen het raam tikt, dat wordt allemaal niet verteld. In een aangeklede dialoog komt deze informatie wel naar voren. Dit zijn de zinnen die tussen de eigenlijke dialoogtekst staan. De schrijver legt als het ware een en ander uit. Als dit goed gedaan wordt, is het nuttig en zeker niet storend. 

Beginnende schrijvers vallen echter nog wel eens in de valkuil om alles te willen uitleggen en duiden. Ik stel het me zo voor dat je als lezer een dialoog met de personages meebeleeft, en dat na iedere door de personages uitgesproken zin de schrijver in je oren tettert: “Zei hij boos!”, “Sprak zij blij!” 

schrijver schreeuwt in oor van de lezer

Liever wil een lezer dit zelf constateren. En dit kan ook eenvoudig. Wanneer een personage even met zijn voeten stampt, met zijn vuist op tafel slaat of een boek door de kamer gooit voordat hij zijn zinnen uitspreekt, zal het de lezer echt wel duidelijk zijn dat hij boos is. En ook wanneer het personage een huppelpasje maakt of een liedje neuriet voordat zij haar tekst uitspreekt, zal de lezer duidelijk zijn wat haar gemoedstoestand is. 

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *