Categorieën
Uncategorized

Schrijfoefening: straatobservatie

Een goede schrijfoefening voor wanneer je even geen inspiratie hebt (of gewoon omdat het heel erg leuk is!): maak een straatobservatie.

De opdracht is heel simpel: ga de straat op en kijk om je heen. Schrijf op wat je ziet, hoort, ruikt, proeft en vooral: luister schaamteloos af! Flarden van gesprekken tussen mensen zijn een mooi startpunt, juist omdat je soms niet alles begrijpt wat ze zeggen. De context ontbreekt en dat maakt het leuk, want die context kun je er zelf bij bedenken.

Let vooral ook op details. Hoe zien mensen eruit, wat hebben ze aan? En dan niet alleen: een blauwe jas en een groene broek. Nee, interessanter is het soort knopen dat op die jas zit. Wat voor soort sokken, en of die qua kleur passen bij de rest van de kleding, of juist (opzettelijk?) afwijken. Of draagt de persoon in kwestie verschillend gekleurde sokken? Details kunnen veelzeggend zijn.

Ga nu terug naar binnen, of zoek een lekker bankje in de zon, en werk je observaties uit. Bedenk er een verhaal omheen. En laat vooral je fantasie de vrije loop. Misschien heeft het verhaal dat je schrijft niets meer te maken met de dingen of de mensen die je geobserveerd hebt en wat zij tegen elkaar zeiden. Toch is dit het resultaat van “straatinspiratie”.

Hieronder een stukje dat ik zelf schreef naar aanleiding van zo’n straatobservatie:

Er lag een dode duif op de stoep. Het lichaam recht, de pootjes opgetrokken. Het hoofdje naar opzij geknakt. Er stond een gure wind, milde miezer. Een jongetje van misschien zes jaar, tas op zijn rug, gymtas in zijn hand, het hoofd naar voren gebogen tegen de regen, stopte, keek. Stapte toen over de vogel heen. Hij leek mij te jong om alleen naar school te lopen, maar in de ogen van zijn ouders was hij dat kennelijk niet. 

Een vrouw passeerde met een kinderwagen, een oude moeder of een jonge oma. Ook zij stopte, keek. Tegen het kind in de wagen zei ze: ‘Hè bah.’

Het kind, net geen baby meer, lachte stralend, zei: ‘Bah!’ Een rinkelende lach die detoneerde bij het weer, de vroege ochtend, het feit dat mijn dag opnieuw begonnen was met een nat geplast bed, een onwillige dochter.   

De vrouw lachte. ‘Bah!’ 

Het kind weer: ‘Bah!’

‘Wat kan jij goed praten hè. Wat een knapperd ben je toch, zo’n slim meisje.’ De vrouw had de stem van een roker, toch klonk er een twinkeling doorheen.

Aan de wagen, binnen het bereik van de kindervingers, hing een slinger van hand gebreide speeltjes. Het soort slinger dat ik zelf ook had willen maken, ooit. Het was er niet van gekomen. 

De vrouw vervolgde haar weg, babbelend tegen de dreumes in de wagen. Ze liep in dezelfde richting als de jongen. Ik hoopte dat ze hem zou inhalen. Misschien een stukje met hem mee zou lopen.